Lesgeven

1. Warming-up (voorkennis activeren)

Iets doen om de deelnemer(s) al in de stemming te brengen of te laten ervaren dat ze al veel weten.

Gebruik een “Smaakmaker” (een leuke manier om je onderwerp in te leiden) door b.v.

  • een energizer gericht op wat je later in die les gaat doen;
  • een verhaal te vertellen;
  • een afbeelding/video/geluidsfragment te laten zien/horen;
  • zelf iets voor te doen/te spelen;
  • vragen naar wat de studenten al weten over het onderwerp (woordspin).

Begin met iets dat de fantasie prikkelt, de aandacht trekt of nieuwsgierigheid opwekt.

2. De uitleg van de opdracht

Wanneer leg je de opdracht uit ?

  • Meestal eerst uitleggen en dan pas groepjes maken (soms andersom beter, denk hierover na)
  • Alles aan het begin uitleggen is vaak te veel informatie in één keer en haalt de spanning eruit.
  • Doen werkt beter dan praten, kijken beter dan luisteren (afbeeldingen, video, bordgebruik)
  • Doe het stapje voor stapje en leg alleen uit wat nodig is om te kunnen beginnen.
  • Gebruik de vervolg-uitleg om te kunnen sturen of om het niveau een stap te verhogen
  • Wees duidelijk over de inhoud van de opdracht, de tijd die ervoor staat om te werken, en wat er van het resultaat wordt verwacht.

Zorg er voor dat iedereen jou kan zien en horen.

– Gebruik je houding, stem en mimiek bewust.

– Wees enthousiast en duidelijk.

Bedenk of je klassikaal of individueel wilt uitleggen, of gecombineerd.

Bijvoorbeeld klassikale uitleg in het begin, daarna individuele toelichting /correctie.

Bij het werken met voorbeelden: gebruik voorbeelden zonder te dwingen het precies zo na te doen. Geef veel suggesties of een voorbeeld dat nog niet af is.

“Kunnen we beginnen?” Controleer of iedereen het begrepen heeft.

Let op en reageer op reacties van onbegrip.

Stel vragen zoals:  “Heeft iedereen het begrepen?” en “Is iedereen klaar om te beginnen?”.

3. Coachen tijdens de opdracht

Gericht op het proces:

  • Zorg door wat jij zegt en wat jij doet voor een goede sfeer en enthousiasme.
  • Zorg voor afwisseling van individuele opmerkingen en zaken voor iedereen.
  • Begeleid de deelnemers zodat ze zelf ideeën krijgen.
  • Ga in op wat ze zelf willen, denken en kunnen.
  • Gebruik vragen en opmerkingen die de fantasie en persoonlijke betrokkenheid stimuleren.

Gericht op de persoon:

  • Geef complimenten als iets zelf bedacht is. Wat is motiverend voor de deelnemers?
  • Help deelnemers die elkaar niet begrijpen.
  • Stimuleer op jouw manier onderling contact en samenwerking.
  • Grijp in bij conflicten of bewust juist niet, maar observeer dan wel hoe het verder gaat.
  • Verdeel je aandacht over de individuen, groepjes en de hele groep.

Gericht op het product:

  • Geef tips en regels over techniek en het gebruik van apparatuur en/of instrumenten.
  • Wees niet bang correcties te geven die vanuit veiligheid of resultaat nodig zijn.
  • Begeleid op het uitvoeren van de opdracht. Bijvoorbeeld: netjes werken, je aan de regels houden, iets afmaken, etc.
  • Stuur studenten richting het eindresultaat zoals het bedoeld is.
  • Laat een evetuele presentatie voldoende geoefend worden.

4.  Afronding van de les

De manier waarop er een einde komt aan de les:

  • Het is duidelijk in de les zelf: iedereen is geweest/klaar, product is klaar, de presentatie is geweest, etc.
  • Jij bepaalt de “laatste keer” (laatste presentatie, laatste vraag, etc.) en kondigt dat van te voren aan, of je geeft de tijdslimiet (“nog 10 minuten”).
  • Je laat het aan henzelf over wanneer ze klaar zijn .
  • Je hebt een vast einde, bijvoorbeeld een track die je laat horen, een vragenrondje, etc.

Je laat de studenten even tot rust komen (cooling down) en je geeft complimenten (of niet). Je zorgt dat er opgeruimd wordt en betrekt de studenten daarbij. Neem afscheid (“Tot de volgende keer”) en geef eventuele opdrachten/huiswerk mee. Geef indien nodig sommige studenten nog even individuele aandacht en begeleid de studenten de ruimte uit.

Zijbalk